Rebekka de Wit brengt de revolutie op gang! Sinds een paar jaar kan ze nauwelijks nog over iets anders praten dan over de straat en wie er eigenlijk recht op heeft. Tot lichte ergernis van haar omgeving, geeft ze toe. De aanleiding kwam onverwacht toen ze op een avond begon te lezen in ‘Het recht van de snelste’ van journalist Thalia Verkade. Een tweede kantelpunt volgde toen ze kinderen kreeg.
Plots keek ze anders naar de stad. Waar ze vroeger gewoon verkeer zag, zag ze nu hoe weinig ruimte er eigenlijk nog overblijft voor wie niet in een auto zit.
“Ik begon op straat bevelen te roepen als een legercommandant.”
Niet uit overdreven bezorgdheid, maar omdat haar kinderen zich met een vanzelfsprekend vrijheidsgevoel op straat bewogen. Een vrijheid die in werkelijkheid sterk ingeperkt blijkt.
“Steekt een hert de weg over, of rijden wij dwars door zijn bos heen?”
Eén ding staat volgens de Wit vast: het verkeer heeft de publieke ruimte grotendeels overgenomen. Dat gebeurde niet vanzelf. In het boek van Thalia Verkade wordt duidelijk hoe snel de auto het straatbeeld is gaan domineren. Tussen 1920 en 1930 werd de stad in amper tien jaar tijd heringericht rond de wagen.
Vanaf dat moment was je niet langer gewoon een mens op straat, maar een voetganger, fietser of automobilist. De straat werd verkeersruimte.
Veel van die veranderingen zijn zo vanzelfsprekend geworden dat we ze nauwelijks nog opmerken. Woorden als “parkeerplaats” gebruiken we zonder nog te benoemen waar die plek eigenlijk voor dient. Soms vergeten we simpelweg dat het ook anders kan.
Dat besef sijpelde ook door in de Wits theaterwerk. In haar voorstelling ‘De zaak Shell’ bracht ze verschillende stemmen samen in een fictieve rechtszaak rond klimaatschade. Iedereen schuift daarin de verantwoordelijkheid door naar iemand anders. Hoewel haar favoriete moment de monoloog van de burger was, bleef vooral die van de CEO van Shell bij het publiek hangen. Dat zette haar aan het denken.
“Niet wie taal heeft, heeft macht: wie macht heeft, bepaalt de taal.”
In zekere zin leven we volgens haar in de taal van de fossiele industrie. Een verhaal dat overal in het asfalt van onze steden geschreven staat. Toch blijkt uit enquêtes dat veel stedelingen zich al decennialang ongemakkelijk voelen bij die inrichting. Opvallend genoeg denkt bijna iedereen dat hij daarin alleen staat, merkt Thalia Verkade op.
Dat dominante verhaal proberen kunstenaars en denkers vandaag te doorbreken. Met het project ‘Publiek Plan’ trokken Jorik De Wilde en Sofie Deckers de stad in om bewoners anders naar hun omgeving te laten kijken. Ze bladeren letterlijk door het boek dat uit hun traject groeide: geen afgewerkte stadsplannen, maar een groeiend archief van indrukken.
De pagina’s tonen een ludieke blik van bewoners op de stad. Op kaarten en in logboeken duiken vragen op die zelden gesteld worden: waarom vinden we een buurt onveilig? Hoe verschilt de stad van vroeger met die van vandaag? Waar gelden ongeschreven regels? Wat mag er wel, en wat niet?
Zo ontstaat een menselijke aanvulling op de klassieke stadskaart, een samenraapsel van verhalen en observaties dat toont hoe mensen de publieke ruimte werkelijk ervaren.
Tegelijk wijst ook het boek ‘Het recht van de snelste’ op een ander, vaak vergeten perspectief: het verhaal dat zelden verteld wordt, dat van de slachtoffers. Wanneer een dodelijk ongeval het verkeer stillegt, verschuift de aandacht immers snel naar de file die ontstaat. De menselijke tragedie verdwijnt daarbij opvallend snel uit beeld.
Ook verkeerskundige Kris Peeters pleit voor een andere blik op mobiliteit. In zijn werk stelt hij dat we ons vaak blindstaren op efficiëntie. Zelfs de file wordt zo een verkeerd begrepen probleem.
“Een file is eigenlijk gewoon een wachtrij, iets wat we in andere contexten perfect normaal vinden.”
De echte vraag is volgens hem niet hoe we sneller van A naar B raken, maar hoe we onze steden zo organiseren dat mensen elkaar opnieuw kunnen ontmoeten.“We hebben lang nagedacht over hoe we elkaar kunnen kruisen zonder te botsen,” zegt hij.“Misschien moeten we opnieuw leren hoe we elkaar kunnen tegenkomen.”
Het idee van een “autovrije stad” roept vaak weerstand op. Misschien omdat het woord auto er nog altijd centraal in staat. Rebekka de Wit stelt daarom een andere vraag: wat als we het gewoon over een kindvriendelijke stad hebben?
Soms toont de werkelijkheid zelf hoe zo’n stad eruit kan zien. Bijvoorbeeld wanneer het sneeuwt. Dan rijden auto’s plots stapvoets en nemen wandelaars de straat weer vanzelf in. Een tijdelijke omkering van de machtsverhoudingen, maar wel één die laat zien dat de straat misschien nooit echt van de auto is geweest.
Redactie: Kato Delrue